Leven is kiezen. Soms gaat het over kleine dingen, soms over levensvragen. De keuze waarvoor Maria gesteld wordt, is levensgroot: "Wil jij moeder van Gods Zoon worden?" Haar jawoord getuigt van groot vertrouwen: "Mij geschiede naar uw woord."
(strofe 1)
Leven is kiezen, leven is delen (samen)
Leven is kiezen of delen (samen)
Kiezen wij voor leven, (buitenste rijen)
Kiezen wij voor delen (binnenste rijen)
Of kiezen wij dat niet (buitenste rijen)
Leven is kiezen of delen (samen)
(strofe 2)
Leven is kiezen, leven is delen (samen)
Ja zeggen, (buitenste rijen)
neen zeggen. Neen doen, (binnenste rijen)
ja doen. Ja zeggen, (buitenste rijen)
neen doen (binnenste rijen)
Niets zeggen, niets doen (samen)
Of kome wat komt, we zien wel (samen)
(strofe 3)
Leven is kiezen, leven is delen (samen)
Een jawoord, een doewoord (samen)
Vastberaden, consequent (buitenste rijen)
Kiezen voor leven (samen)
Kiezen voor delen (samen)
Kiezen voor doen (samen)